Toen ik leerde autorijden vond ik de bijzondere verrichtingen altijd erg spannend. En dat is iets dat ik bij mijn leerlingen ook zie. Daarom nemen we dit tijdens de rijlessen uitgebreid door en oefenen we hier voldoende op.

In dit blog lees je meer over de bijzondere verrichtingen en wat deze precies inhouden.

Praktijkexamen

Veel leerlingen zijn gespannen voor de bijzondere verrichtingen tijdens het praktijkexamen. Tijdens het rijexamen vraagt de examinator je om 1 of 2 bijzondere verrichtingen uit te voeren. Dit bepaalt hij of zij terplekke tijdens het examen en daarom is het belangrijk om alle bijzondere verrichtingen goed onder de knie te krijgen. En als je de bijzondere verrichtingen goed onder controle hebt, heb je de auto ook goed onder controle. Op die manier kan je veilig een auto parkeren in je straat of de auto draaien als je verkeerd rijdt.

De bijzondere verrichtingen hoeven niet geheel vlekkeloos te verlopen tijdens het praktijkexamen.

Een aantal belangrijke aandachtspunten zijn:

  • Het overige verkeer heeft altijd voorrang.
  • Kijk bij het uitvoeren van bijzondere verrichtingen altijd goed om je heen.
  • Ben altijd duidelijk naar je andere weggebruikers.

Tussentijdse toets en bijzondere verrichtingen

Ook bij de tussentijdse toets kunnen er bijzondere verrichtingen aan bod komen. Als je de bijzondere verrichtingen goed uitvoert tijdens de tussentijdse toets krijg je een vrijstelling voor het praktijkexamen. De examinator geeft je een formulier na de tussentijdse toets met advies over welke bijzondere verrichtingen je nog kan verbeteren voor het praktijkexamen.

De meest voorkomende bijzondere verrichtingen zijn:

  • Recht achteruit: Bij deze proef rijd je recht achteruit.
  • Bocht achteruit: Rijd bij deze proef achteruit in een rechterbocht.
  • Hellingproef: Deze bijzondere verrichting wordt meestal gezien als een eenvoudige proef. Bij een hellingproef begin je vanuit stilstand te rijden op een helling, zonder achteruit te rollen.
  • Keren op de weg: De auto moet in 3 stappen gekeerd zijn, zonder de stoep op te rijden.
  • Fileparkeren: Parkeer de auto voor of achter een andere geparkeerde auto.
  • Parkeren in een vak: Parkeer de auto achteruit in een parkeervak, meestal naast een andere auto.
  • Stopopdracht: De stopopdracht is bedoeld om kort een stop te maken zodat een passagier kan in- of uitstappen.
  • Halve draai: De halve draai kan je alleen uitvoeren als er voldoende ruimte is, anders moet je keren door steken.
  • Keren door steken: Het kan voorkomen dat je verkeerd bent gereden of dat de weg wordt geblokkeerd. Het is dan mogelijk om achteruit te rijden, een halve draai te maken maar ook door te keren door steken.
  • Dashboard en motorcontrole: Het is mogelijk dat de examinator enige vragen stelt over controlelampjes en de bedieningsknoppen op het dashboard. Ook kan je vragen krijgen over de verschillende onderdelen onder de motorkap.

Mocht je nog vragen hebben, laat het mij dan gerust weten.